Verhalen:

Het verraad
De eerste keer dat ik in Khan Younis kwam werd ik meteen geconfronteerd met 12 doodzieke kinderen. Er was niets waar ik op terug kon vallen. Ik maakte van 4 nieuwe potloden 12 kleine.
Bij de houtwerkplaats om de hoek haalden we een vierkante balk van 2 meter hoog en zetten die vast in een hoop zand. De vier kleintjes tekenden beneden, de middelste maat in het midden en de vier grootste bovenaan. We stonden daar als één kluwen mens. We tekenden ons leven. Het was warm. We waren uren bezig. De volgende dag rond 7 uur kwamen de eerste kinderen al weer aanwaaien. Gedurende de week ontwikkelden we ons van pieterpeuter tekenaars naar kunstenaars die in één gebaar iets konden neerzetten. Aan het eind van de week waren we zover dat we een soort vitrage door gips konden halen die lappen ophingen en een prachtig beschut onderkomen voor onszelf hadden gebouwd. Ik had rode, gele en blauwe verf meegenomen en als uitsmijter een bokaal gouden verf. Ja, daar wilde iedereen wel mee werken. Maar ik ging naar een meisje dat gedurende de hele week als we iets aan het doen waren na korte tijd weer ging zitten. Ik nodigde haar uit, hield haar hand vast terwijl ik haar omarmde. Langzaam kleurde het rolletje onze wereld goud. Toen we klaar waren rende ze weg. Wij werkten door aan de verbetering van ons huid. Dr Jean stond opeens voor me. “Wat heb je met dat meisje gedaan?” Ik: “Wat bedoel je?”  Voor het eerst in drie jaar had ze gesproken. Ze had haar handen op het bureau van Jean gezet. Haar strak aangekeken. “Ik wil niet dat ze gaat.” Mijn hart kromp ineen. Wie zou haar verder begeleiden. Een diep gevoel van schaamte bekroop me. Dit voelde zo verkeerd alsof ik iemand fundamenteel verraden had.!
31 januari 2000

De koude kindjes uit Khan Younis (Gaza)

Het schijnt vijftig jaar niet zo geregend te hebben als de laatste week van januari 2000. Het kamp waar zeventig duizend mensen wonen bestaat uit opeen gestapelde blokken steen met voornamelijk daken van golfplaat. De straten zijn smalle zandpaden. De huizen zijn meestal één à twee kamerwoningen waar grote gezinnen in leven. De ‘huizen’ gaan op een dusdanige manier in elkaar over dat ze ook weer onderling met elkaar in verbinding staan. Het kamp is een opeenstapeling van steen, hout, golfplaat, lappen, wasgoed en mensen. Na enkele tientallen meters kun je al verdwaald zijn. Je ziet dat het één grote vluchtroute is van gangen en trappen over daken en door huizen.
Door de aanhoudende regens afgewisseld door hagelbuien met stenen ter grootte van pingpongballen vinden hier en daar landafschuivingen plaats. Eén zo’n landafschuivingen sleept ook de waterleiding mee. Langzaam maar gestaag loopt het kamp als een put vol. We lopen tot onze knieën in het water door de huizen stroomt een rivier. Ik vind mezelf terug op een stoeltje in een rij met vrouwen in natte lange jurken kijkend naar wat er voorbij drijft. Het is zo’n plek waarvan je achteraf zegt: “Was dat nou wel of geen huis”. De vrouw die naast mij staat in haar ondergelopen huis vraagt me alsof er niets aan de hand is: “Wilt u misschien een kop thee?” We worden niet meer warm, niet meer droog en we rollen zo weer de volgende dag de open studio in.
Ik mag wel zeggen dat we behoorlijk wanhopig zijn. Stel je voor s’ochtends om 9 uur word je geconfronteerd met 20 gehandicapte kinderen nat en koud. Maya en ik beginnen vol overgave deze kinderen warm te wrijven. Het lukt van geen kant. Een passerende arts vertelt ons dat we wel kunnen stoppen want dat deze kinderen niet alleen door en door koud zijn maar ook waarschijnlijk zonder eten zijn afgezet. Toch willen we warmte in de tent. We geven niet gauw op. We timmeren met de docenten een huis en een piramide in de ruimte die ons ter beschikking staat. De houten staketsels van huis en piramide bekleden we met karton. Tussen de buien door schijnt de zon op de ramen en op de kartonnen bouwsels en ja… ze worden warm!!! We verspreiden de kinderen over de bouwsels. Dichies bij dichies, heerlijk warm en vredig schilderen ze hun droomwereld. Kamelen met vogels in hun buik omdat de kamelen blij zijn. Een pyramide met een groot vuur van binnen en een auto omdat de farao het ook warm moet hebben. Veel rood en geel omdat we blij zijn en heel veel bloemen op de grond en schapen op de muur. Die gaan we op een keer lekker eten. Als ik vind dat het te lang stil blijft in de pyramide, zie ik dat er vier prachtige kleine dove kindjes om hun eigen kampvuur liggen te slapen. Vredig moe geschilderd. Een ontroerend gezicht.

Hoe zet je een kamp op?!
Na een hele dag weken, ervaringen uitwisselen bezoeken afleggen in de kampen worden we vaak als je denkt: ‘nu naar bed’ opgehaald om naar de flat van Fathi te gaan. Daar worden we in contact gebracht met plaatselijke kunstenaars en mensen uit alle windstreken die zich op één of andere manier verzetten tegen de geldende norm. Het is altijd gezellig. Er branden kaarsen en er wordt gekookt. Het huis ademt gastvrijheid. We kijken uit over die betoverende Middellandse Zee met zijn onmetelijke verleden. Het eten is eenvoudig. Ik heb niet het gevoel dat hier in een asociale welstand geleefd wordt ten opzichte van het kamp. Dat geeft een goed gevoel. Ik raak in gesprek met een jonge Palestijns-Canadese arts. Hij komt net teruggevlogen uit een vluchtelingenkamp in Kosovo. De jongen is totaal op. Als hij gegeten heeft, zal hij ook met spoed een bed opzoeken. Hij vertelt over het opzetten van de kampen daar en de geallieerde bombardementen. Over treinen die worden gebombardeerd met een ongelooflijke precisie. Ze weten precies wat er in die wagons zit en bombarderen alleen wat ze willen. De grove missers van de afgelopen bombardementen gelooft hij daarom niet. Bijzonder, een Palestijnse arts die helpt bij het opzetten van een vluchtelingen kamp in Europa! Sommige expertise wordt je met de paplepel ingegeven. Ik ben benieuwd waar het meest behoefte aan is bij het opzetten van een kamp. Hij kijkt me aan. “Speelgoed!” Speelgoed? Ja, speelgoed, als dat er is gaan de allerkleinsten spelen. Die hebben een kort geheugen en vergeten snel. Grotere kinderen en volwassenen komen er om heen en er komt beweging, een interactie. Lethargie is het grote gevaar van ieder kamp. Zo’n kamp activeren is belangrijker dan dekens of aspirine. Als er niet wordt gespeeld blijft het kamp hangen in een dodelijke apathie. Speelgoed mijmert de arts, zo belangrijk anders krijg je niets voor mekaar.

Geef een reactie