De koude kindjes uit Khan Younis

31 januari 2000

Het schijnt vijftig jaar niet zo geregend te hebben als de laatste week van januari 2000. Het kamp waar zeventig duizend mensen wonen bestaat uit opeen gestapelde blokken steen met voornamelijk daken van golfplaat. De straten zijn smalle zandpaden. De huizen zijn meestal één à twee kamerwoningen waar grote gezinnen in leven. De ‘huizen’ gaan op een dusdanige manier in elkaar over dat ze ook weer onderling met elkaar in verbinding staan. Het kamp is een opeenstapeling van steen, hout, golfplaat, lappen, wasgoed en mensen. Na enkele tientallen meters kun je al verdwaald zijn. Je ziet dat het één grote vluchtroute is van gangen en trappen over daken en door huizen.
Door de aanhoudende regens afgewisseld door hagelbuien met stenen ter grootte van pingpongballen vinden hier en daar landafschuivingen plaats. Eén zo’n landafschuivingen sleept ook de waterleiding mee. Langzaam maar gestaag loopt het kamp als een put vol. We lopen tot onze knieën in het water door de huizen stroomt een rivier. Ik vind mezelf terug op een stoeltje in een rij met vrouwen in natte lange jurken kijkend naar wat er voorbij drijft. Het is zo’n plek waarvan je achteraf zegt: “Was dat nou wel of geen huis”. De vrouw die naast mij staat in haar ondergelopen huis vraagt me alsof er niets aan de hand is: “Wilt u misschien een kop thee?” We worden niet meer warm, niet meer droog en we rollen zo weer de volgende dag de open studio in.
Ik mag wel zeggen dat we behoorlijk wanhopig zijn. Stel je voor s’ochtends om 9 uur word je geconfronteerd met 20 gehandicapte kinderen nat en koud. Maya en ik beginnen vol overgave deze kinderen warm te wrijven. Het lukt van geen kant. Een passerende arts vertelt ons dat we wel kunnen stoppen want dat deze kinderen niet alleen door en door koud zijn maar ook waarschijnlijk zonder eten zijn afgezet. Toch willen we warmte in de tent. We geven niet gauw op. We timmeren met de docenten een huis en een piramide in de ruimte die ons ter beschikking staat. De houten staketsels van huis en piramide bekleden we met karton. Tussen de buien door schijnt de zon op de ramen en op de kartonnen bouwsels en ja… ze worden warm!!! We verspreiden de kinderen over de bouwsels. Dichies bij dichies, heerlijk warm en vredig schilderen ze hun droomwereld. Kamelen met vogels in hun buik omdat de kamelen blij zijn. Een pyramide met een groot vuur van binnen en een auto omdat de farao het ook warm moet hebben. Veel rood en geel omdat we blij zijn en heel veel bloemen op de grond en schapen op de muur. Die gaan we op een keer lekker eten. Als ik vind dat het te lang stil blijft in de pyramide, zie ik dat er vier prachtige kleine dove kindjes om hun eigen kampvuur liggen te slapen. Vredig moe geschilderd. Een ontroerend gezicht.

Geef een reactie