Het Verraad

De eerste keer dat ik in Khan Younis kwam werd ik meteen geconfronteerd met 12 doodzieke kinderen. Er was niets waar ik op terug kon vallen. Ik maakte van 4 nieuwe potloden 12 kleine.
Bij de houtwerkplaats om de hoek haalden we een vierkante balk van 2 meter hoog en zetten die vast in een hoop zand. De vier kleintjes tekenden beneden, de middelste maat in het midden en de vier grootste bovenaan. We stonden daar als één kluwen mens. We tekenden ons leven. Het was warm. We waren uren bezig. De volgende dag rond 7 uur kwamen de eerste kinderen al weer aanwaaien. Gedurende de week ontwikkelden we ons van pieterpeuter tekenaars naar kunstenaars die in één gebaar iets konden neerzetten. Aan het eind van de week waren we zover dat we een soort vitrage door gips konden halen, die lappen ophingen en een prachtig beschut onderkomen voor onszelf hadden gebouwd. Ik had rode, gele en blauwe verf meegenomen en als uitsmijter een bokaal gouden verf. Ja, daar wilde iedereen wel mee werken. Maar ik ging naar een meisje dat gedurende de hele week als we iets aan het doen waren na korte tijd weer ging zitten. Ik nodigde haar uit, hield haar hand vast terwijl ik haar omarmde. Langzaam kleurde het rolletje onze wereld goud. Toen we klaar waren rende ze weg. Wij werkten door aan de verbetering van ons huid. Dr Jean stond opeens voor me. “Wat heb je met dat meisje gedaan? Ik: “Wat bedoel je?” Voor het eerst in drie jaar had ze gesproken. Ze had haar handen op het bureau van Jean gezet. Haar strak aangekeken. “Ik wil niet dat ze gaat.” Mijn hart kromp ineen. Wie zou haar verder begeleiden. Een diep gevoel van schaamte bekroop me. Dit voelde zo verkeerd alsof ik iemand fundamenteel verraden had!
31 januari 2000

Geef een reactie